Geschreven door: Erwin Wunnekink, directeur Nevedi
De gevolgen van de stapeling van opgaven die het kabinet deze zomer presenteerde in de stikstofbrief, beginnen steeds duidelijker te worden. Melkveehouders krijgen bedrijfsspecifieke doelen voor ammoniak en broeikasgassen en een norm voor grondgebondenheid. Daarbovenop opgaven voor waterkwaliteit, natuur en dierwaardigheid.
Daarmee houdt het kabinet een reeks hoepels omhoog waar bedrijven doorheen moeten springen. Grondsoort, ligging, beschikbaarheid van grond, staltype en bedrijfsvoering bepalen de grote van de impact. Voor ieder afzonderlijk doel is er een inhoudelijke redenering. Maar uiteindelijk moet één ondernemer op één bedrijf aan het hele pakket voldoen.
De brief leidt dan ook tot felle reacties. Boeren voeren actie en eisen dat hij van tafel gaat. Die boosheid begrijp ik. Je kunt van ondernemers niet vragen langjarig te investeren als onvoldoende duidelijk is hoe alle eisen samen uitpakken en welk perspectief resteert. Vanuit de diervoedersector zie ik tegelijkertijd ook mogelijkheden. Met voeding, kennis, data en innovatie kunnen wij ondernemers helpen bij het realiseren van doelen. Techniekleveranciers, zuivel- en vleesketens en andere partijen kunnen dat eveneens. Aan oplossingskracht ontbreekt het niet. Aan een samenhangend en betrouwbaar speelveld wel.
Neem grondgebondenheid. Een norm van bijvoorbeeld 2,6 GVE per hectare kan gemiddeld haalbaar lijken. Regionaal verschillen beschikbaarheid en prijs van grond echter sterk. Een melkveehouder hoeft niet alle grond zelf te bezitten en de oplossing is: samenwerking met andere grondgebruikers. Maar kun je een financiering van 25 jaar afsluiten op basis van een samenwerking met iemand die een eigen meerjarenagenda heeft?
Voor ammoniak zijn met diervoeder, management en techniek forse reducties mogelijk, maar verschillen de kosten en mogelijkheden per bedrijf. Wat wetenschappelijk aantoonbaar werkt, moet bovendien juridisch óók meetellen om een vergunning te krijgen. Voor klimaat verschillen uitgangspositie en mogelijkheden opnieuw, terwijl maatregelen voor verschillende doelen elkaar onderling ook nog eens kunnen beïnvloeden. De uitdaging zit dan ook in de optelsom: uiteindelijk moet iedere boer door álle hoepels.
Daarom moet beleid niet alleen norm voor norm worden doorgerekend. De stresstest vindt plaats op het boerenerf. Wat betekent de stapeling voor verschillende bedrijfstypen, regio’s en uitgangsposities? Wat kosten de benodigde maatregelen? En blijft er een bedrijf over waarin verantwoord kan worden geïnvesteerd?
De gevolgen stoppen bovendien niet bij het boerenerf. Rond de Nederlandse veehouderij staat een economische keten van ruim 22 miljard euro toegevoegde waarde en circa 200.000 arbeidsjaren. Het grootste deel van die waarde ontstaat niet op het primaire bedrijf, maar bij toeleveranciers, zuivel- en vleesverwerkers, logistiek en andere bedrijven in de keten. Wie via beleid ingrijpt in de omvang en het verdienvermogen van de veehouderij, grijpt dus ook in op het verdienvermogen en de investeringsruimte van die bedrijven. Het gaat daarmee niet alleen over hoeveel boeren straks nog kunnen ondernemen, maar ook over de economische activiteit, werkgelegenheid en innovatiekracht van een veel grotere keten.
Nederland wil miljarden uittrekken om uit de stikstofcrisis te komen. Dat is nodig. Maar voordat we miljarden verdelen, moet eerst een fundamentelere vraag worden beantwoord: Kunnen verschillende typen melkveebedrijven in verschillende regio’s álle hoepels tegelijk halen, tegen financierbare kosten en met voldoende zekerheid om voor 20 of 25 jaar te investeren? De oplossingskracht in de keten is groot. Maar beleid is pas haalbaar als niet alleen iedere afzonderlijke hoepel op papier haalbaar lijkt, maar ondernemers ook daadwerkelijk door de hele reeks kunnen springen.
Bron: Nevedi
